Listing 1 - 2 of 2 |
Sort by
|
Choose an application
Choose an application
De foetale long is een met vocht gevulde strucuur met een sterk signal op T2 gewogen beelden en dus makkelijk te onderscheiden van de omgevende structuren. Dit blijft het geval zelfs in geval van oligohydramnios en obesitas, condities die een goede echografische evaluatie moeilijk en onnauwkeurig maken. In geval van CDH is een accurate bepaling van de long ontwikkeling een klinische nood alsook het uitsluiten van geassocieerde afwijkingen. Hierdoor kan MRI, vnl in deze populatie, waardevol zijn. Prognostische evaluatie dient bij voorkeur te gebeuren ten laatste op het einde van de tweede trimester, op een moment dat nog alle therapeutische opties mogelijk zijn en dus geen pijnlijke beslissing buiten de theoretische viabiteit nodig is. Gezien het recentelijk beschikbaar zijn van foetale thereapie wordt dit nog belangrijker. In deze thesis konden we in een grote multicenter study aantonen dat o/e TFLV en intrathoracale leverherniatie onafhankelijke predictors zijn van de postnatale overleving, waardoor we deze informatie dan ook kunnen gebruiken in het proces van de klinische diagnose. Bovendien toonde de o/e TFLV een trend voor een bettere overlevings predictie wannneer we de techniek vergelijken met de meest gevalideerde 2D-echografie metingen zijnde o/e LHR. We hebben eveneens een quantitatieve manier van lever herniatie geintroduceerd in foetussen met CDH dmv MRI. We hebben aangetoond dat LiTR op een betrouwbare manier het volume van het intrathoracale gedeelte van de liver bepaald. Voor expectantly behandelde foetussen, toonde LiTR enkel een trend doch was niet significant predictief. De verklaring hiervoor, tenminste gedeeltelijk, is te vinden in een populatie bias, enkel minder aangetaste foetussen waren beschikbaar voor de studie van de expectantly behandelde foetussen. Toekomstige en collaboratieve studies kunnen deze zaak helpen uitklaren. In deze thesis, hebben we normatieve curven opgebouwd voor TFLV tov verschillende ADC warden en voor TFLV tov verschillende T2 signaal intensiteits warden. Onze voorlopige data in foetussen met CDH toont aan dat ADChigh en ADClow waarden zich op de grens van normale waarden bevinden en dat T2 waarden in de ‘geobserveerde’ waarde lager waren dan in de ‘verwachte’ waarden, en dit vnl voor de ipsilaterale long. Zelfs meer interessant is de constatatie dat ADClow metingen niet gerelateerd waren met de afmetingen van de long hetgeen een additieve informate sugereert voor het gebruik van longafmetingen en dus zeker de basis zal zijn voor verder onderzoek. Gezien we een foetaal therapy centrum zijn hebben we veel foetussen bestudeerd die en ernstige geisoleerde vorm hebben van CDH en die behandeld werden met FETO. In deze gevallen konden we aantonen dat de reaktie van het longvolume een onafhankelijke predikter is van postnatale overleving en dit naast andere predikters zoals pre-FETO o/e TFLV. Temeer hebben we aangetoond dat zwangerschapsduur op het moment van FETO en LiTR voor het plaatsen van de ballon op zich een indicator zijn voor de graad van longvolume verandering na FETO. Dit is klinisch zeer belangrijk om het correcte moment van FETO procedure te kunnen plannen. Echografie blijft vanzelfsprekend de meest verspreid, meest beschikbare en meest geaccepteerde beoordelings techniek mede gezien zijn lage kost en ‘real-time’ kenmerken. Omwille van deze reden zal het de voorkeurs screenings techniek blijven in foetale geneeskunde. Evenwel hebben we aangetoond dat in het bepaling van long hypoplasie in foetussen met CDH, MRI betrouwbare en bijkomende informatie kan verschaffen in vergelijking met echografie. Het is dan ook niet te verwonderen dat in de nabije toekomst en in hoog gespecialiseerde centra, zoals foetale therapie centra, MRI gebruikt zal worden in de beoordeling van longen van foetussen met CDH. Op deze manier kan MRI helpen om de patienten die baat hebben bij foetale chirurgie beter te definieren. The fetal lung is a fluid filled structure hence has high signal intensity on T2 WI and is easily discernible from the surrounding structures. This remains so even in case of oligohydramnios and obesity, conditions that make appropriate ultrasound evaluation difficult and inaccurate. In case of CDH, accurate determination of lung development is a clinical need, next to ruling out other associated anomalies. Therefore MRI may be particularly useful in this population. Prognostic evaluation should preferentially be done at the latest at the end of the second trimester, as to leave all options open and avoid painful choices beyond theoretical viability. In view of the current availability of fetal therapy this becomes even more important. In this work we could show in a large multicenter series that o/e TFLV and intrathoracic liver position provide independent prediction of postnatal outcome, which allows using this information in clinical decision making. Furthermore, o/e TFLV showed a trend towards a better prediction of survival as compared to the most validated 2D-ultrasound measurement being o/e LHR. We also introduced a quantitative method for liver herniation in fetuses with CDH using MR imaging. We have shown that LiTR reliably quantifies the volume of the intrathoracic part of liver. For expectantly managed fetuses, LiTR showed a trend, but was not significantly predictive in our series. This may, at least in part, be due to the bias in our population, with typically only less severely affected fetuses available for a study on expectantly managed fetuses. Future and collaborative studies may help out clarifying this matter. In this thesis, we have built normal ranges for TFLV versus different ADC values and for TFLV versus T2 signal intensity values. Our preliminary data in fetuses with CDH have shown that ADChigh and ADClow values were at the limit of the normal range and observed T2 values were lower than expected, in particular for the ipsilateral lung. More interestingly, we have shown that ADClow measurement was unrelated to lung size suggesting potential additive information to the lung size measurement and therefore provides certainly the basis for further research. As a fetal therapy centre, we studied many fetuses with severe isolated CDH who were treated by FETO and where we demonstrated that lung volume responsiveness is an independent predictor of postnatal survival next to pre-FETO o/e TFLV. We have further shown that gestation at FETO and LiTR prior to balloon insertion are both an indicator of lung volume responsiveness to FETO. This is clinically highly relevant in terms of timing the FETO procedure. Ultrasound remains obviously the most widely available and most acceptable assessment tool, with low costs and real-time properties. For that reason it will remain the screening method of choice in fetal medicine. However we have shown in the assessment of lung hypoplasia in fetuses with CDH that MRI proves reliable and additional information can be obtained as compared to ultrasound. It is therefore not surprising that in the near future and in highly specialized centers such as fetal therapy centers, MRI is used to assess lungs of fetuses with CDH, helping to better define cases that are eligible for fetal surgery.
Listing 1 - 2 of 2 |
Sort by
|