Listing 1 - 10 of 112 | << page >> |
Sort by
|
Choose an application
Choose an application
Choose an application
Choose an application
Choose an application
Choose an application
Interoceptive fear conditioning and generalization have all been proposed to play a part in the development of panic disorder (PD). Interoceptive fear conditioning with respiratory stimuli has been studied in healthy participants, but not in patients with PD. Furthermore, interoceptive fear conditioning and generalization with respiratory stimuli in a between-subject paired/unpaired paradigm have never been combined in one study. This study aims to investigate whether healthy participants (N = 40) and PD patients (N = 15) can learn fear to an interoceptive stimulus, whether this fear generalizes to similar stimuli, and whether it influences interoceptive accuracy. An inspiratory breathing impairment (inspiratory load of 15 cmH2O/l/s) serves as the interoceptive conditioned stimulus, along with a total inspiratory blocking (occlusion) as the unconditioned stimulus (US) in a between-subject paired/unpaired conditioning paradigm. Generalization is tested with four inspiratory loads surrounding the CS (GSs: 5-10-20-25 cmH2O/l/s). Measures include PD relevant questionnaires, startle blink EMG responses, skin conductance responses, electrocardiographic activity, respiration, and US expectancy. Respiratory stimulus perception was assessed with self-report scales. This study successfully established interoceptive fear conditioning with respiratory stimuli in the CS-US paired condition. Moreover, our findings show a trend for the unpaired group (decreased US expectancy in acquisition) that could point to safety learning. Our results did not support generalization to GSs close to the CS after fear conditioning. Interoceptive accuracy appeared to decrease after fear acquisition in the paired condition, however this was a non-significant trend. All participants did show signs of habituation to the respiratory loads. Due to the small sample size in the patient group, the current sample lacks the statistical power to draw conclusions and therefore, additional data collection is needed.
Choose an application
Choose an application
In deze masterproef werd het stimuleren van trapgebruik benaderd vanuit een psychologische invalshoek. Het doel van dit onderzoek was nagaan of trapgebruik op het werk enerzijds vergeleken en anderzijds voorspeld kan worden op basis van individuele badge- en surveygegevens. Deze masterproef bouwde verder op gegevens die in 2018 tijdens een veldonderzoek in het Herman Teirlinckgebouw van de Vlaamse overheid verzameld werden (Vanderyse, 2018). In deze studie vergeleken wij de badgemetingen van opwaarts trapgebruik in de ochtend met het zelf-gerapporteerde trapgebruik. Het effectieve en gepercipieerde trapgebruik werden op individueel niveau via geanonimiseerde unieke personeelsidentificatienummers gekoppeld. Via deze methode werd een inzicht bekomen in de mate waarin persoonlijke factoren (geslacht, functieniveau, fysieke activiteitsgraad, motieven en hindernissen), sociale factoren (identificatie met de werkgever, sociale normen) en omgevingsfactoren (verdieping werkplek) een rol spelen bij trapgebruik op het werk. Daarnaast vergeleken wij de uitkomst van dit onderzoek met bevindingen uit vier recente nudging interventiestudies van de onderzoeksgroep Fysieke Activiteit, Sport en Gezondheid van de KU Leuven. In deze studies werden vergelijkbare surveys gebruikt om te peilen naar de motieven en hindernissen van trapgebruik. Dit onderzoek herbevestigde een aantal bevindingen uit deze motivatiestudies en bracht tegelijk als nieuw element het belang van directe collega’s naar voren. De significante predictoren van het objectief gemeten trapgebruik in het Herman Teirlinck gebouw waren de verdieping waarop de medewerker werkzaam is, het functieniveau, de gewoonte om trap of lift te nemen, het trap- of liftgebruik van directe collega’s en angst voor de lift. Er kon geen verband worden aangetoond tussen algemene fysieke activiteitsgraad en trapgebruik, evenmin tussen geslacht noch organisationele identificatie en trapgebruik. De vergelijking tussen het objectief gemeten en zelf-gerapporteerde trapgebruik wees op een overschatting van het trapgebruik, waardoor verondersteld werd dat wellicht ook andere aspecten in de survey waaronder de algemene fysieke activiteitsgraad overschat werden. Meer diepgaand onderzoek naar onderliggende persoonlijke en sociale factoren die trapgebruik kunnen beïnvloeden, in het bijzonder de rol van teamidentificatie en de kritische drempelwaarde voor de impact van directe collega’s op trapgebruik wordt aanbevolen. Daarnaast zijn longitudinale studies belangrijk om de duurzaamheid van trapgebruik te meten, en comparatieve studies om rekening houdende met verschillen in motivatie aangepaste bewegingsinterventies op te zetten.
Choose an application
Choose an application
Listing 1 - 10 of 112 | << page >> |
Sort by
|